1. Het kentekenbewijs deel IA óf een kentekenbewijs op creditcardformaat (kentekencard);
  2. Bij een kentekenbewijs deel IA van een nog niet te naam gesteld kentekenbewijs (een ongedateerd kentekenbewijs); een bedrijfsvoorraadpas.
  3. Een geldig legitimatiebewijs van degene aan wie u de kentekenplaten afgeeft.

Modellen 1.1 tot en met 10.1 en 18.1 voor motorvoertuigen

Bij de afgifte van de modellen 1.1 tot en met 10.1 en 18.1 voor motorvoertuigen geldt (de modellen 5.1 t/m 10.1 zijn voor kentekens met de lettercombinatie GN, CD of CDJ) :

  • dat het voertuig moet voor 1 januari 1977 in gebruik genomen zijn;
  • voor de modellen 1.1 tot en met 4.1 en 18.1 moet het kenteken bestaan uit 1 groep van 2 letters en 2 groepen van 2 cijfers.

Modellen 11.1 tot en met 17.3 en 18.2 voor motorvoertuigen

Bij de afgifte van de modellen 11.1 tot en met 17.3 en 18.2 voor motorvoertuigen geldt (de modellen 13.1 t/m 17.3 zijn voor kentekens met de lettercombinatie GN, CD of CDJ):

  • dat het voertuig voor 1 januari 1978 in gebruik genomen moet zijn;
  • dat voor de modellen 11.1, 12.1 en 18.2 het kenteken moet bestaan uit 1 groep van 2 letters en 2 groepen van 2 cijfers.

Modellen 1.1, 1.2, 8.1 tot en met 12.1 en 15.1 tot en met 17.3 voor aanhangwagens

Bij de afgifte van de modellen 1.1, 1.2, 8.1 tot en met 12.1 en 15.1 tot en met 17.3 voor aanhangwagens, opleggers en caravans geldt:

  • dat het voertuig voor 1 januari 1978 in gebruik genomen moet zijn.

De datum van in gebruik name van het voertuig, blijkt uit het item ‘Datum eerste toelating’ op het kentekenbewijs deel IA of op de kentekencard.